" Tot
de elegantste, krachtigste, snelste van alle rassen van voorstaande honden,
behoort ongetwijfeld de Pointer, een van oorsprong Spaans ras, dat in
Engeland tot in de perfectie is gefokt. Het ras dankt zijn naam aan zowel de
Spaanse betiteling voor Staande honden "Perro da Puenta" (honden die iets
aanwijzen), als aan het Engelse "to point" dat ook aanwijzen betekent."Een specialist voor het staande werk. Bedoeld om veerwild voor te staan.
Gebouwd om snel te kunnen galopperen en dit langere tijd vol te houden.
Daardoor zijn ze in staat een bijzonder groot terrein af te zoeken. Altijd
wit met donkere aftekening, wat hen op grote afstand nog goed zichtbaar
maakt. De hoge kophouding en bouw van de neus zijn gericht op het opvangen
van verwaaiing. De pointer wordt in ons land weinig gebruikt omdat de velden
hier meestal te klein zijn.
" De Spaanse Pointer was een zware hond met een
zogenaamde dubbele neus, die bij het aantrekken op het wild meer een
kruipende dan een lopende gang vertoonde, gelijkend op de gang van een
schildpad.
De Engelse jager verlangde een snellere hond en de vanuit Spanje en
Frankrijk geïmporteerde honden werden met de veel snellere en lichter
gebouwde Foxhounds gekruist.
Colonel Thorton was een van de eersten, die omstreeks 1750 deze "outcross"
toepaste. Hieruit ontstond een stam van snelle, zeer betrouwbare Pointers
met krachtige benen en zeer goede voeten. Vooral aan de krachtige voeten met
stevige zoolballen hechtte men grote waarde, zelfs nog meer dan aan een
sterke lendenpartij. Deskundigen in die dagen beweerden, dat jachthonden met
goede voeten en wat zwakkere lendenen het beter volhielden dan hun collega's
met sterke lendenen en minder goede voeten.
Het inkruisen met Foxhounds duurde tot ongeveer 1815.
In een later stadium ging men over de op deze wijze verkregen stammen -die
streng gescheiden waren -met elkaar te kruisen, met de bedoeling optimaal
werkende honden te verkrijgen, die het veld snel en regelmatig afzochten met
hoge neushouding en op de juiste wijze de haken sloegen, dat wil zeggen
tegen de wind in. Over het algemeen werkten de honden in koppels en wanneer
de ene hond een verwaaiing had opgenomen en roerloos bleef staan, wachtte de
andere hond het verdere verloop rustig af.
Tot de beroemdste honden in die periode behoorde Drake, een tamelijk grote,
onopvallende hond, die in het jachtveld een geheel ander beeld vertoonde.
Men beweerde dat hij met een snelheid van wel 50 mijlen per uur plotseling
als uit marmer gehouwen stilstond in een wolk van stof en zand, wanneer hij
verwaaiing opnam.
De verschillende stammen vertoonden weinig eenheid in type. Dit ging
veranderen met de komst van het tentoonstellingswezen. Merkwaardig genoeg
waren de beide eerste tentoonstellingen, de een in Birmingham
en de andere in Tervueren bij Brussel, uitgeschreven voor Pointers en
Setters.
Vooral de Pointers vertoonden veel verschillen in schofthoogte en men stelde
derhalve klassen in voor grote en kleine honden. Wat de kruising met
Foxhounds betreft, was men de mening toegedaan dat deze absoluut
noodzakelijk was om een goede bouw met krachtige benen en botten en
uithoudingsvermogen te garanderen.
W. Arkwright, de bekende auteur van het standaardwerk
over het ras "The Pointer and his predecessors" uit 1902, had een geheel
andere opvatting over de Pointer en wilde van inkruising met Foxhonds
aanvankelijk niets weten.
In het noorden van Engeland ontdekte hij een oud ras van hoofdzakelijk
zwarte, lichtgebouwde snelle honden, die gedurende een lange tijd door drie
of vier generaties Pape uit Carlisle waren gefokt.
Deze honden blonken uit op veldwedstrijden. De herkomst van deze stam, die
verdacht werd van inkruising met Greyhounds, is onbekend.
Overigens werd dit vermoeden door bepaalde fokkers ernstig betwijfeld omdat
Greyhounds op het oog jagen en Pointers op de neus.
In een later stadium heeft Arkwright ingekruist met een stam, die erom
bekend stond dat er Foxhound-bloed was ingekruist. Met name de "lemon and
whites" zouden ontstaan zijn door de combinatie van Pointer en een
lemonbonte Foxhound.
Ook de lengte van de haren van de gekleurde platen en vlekken die iets meer
bedraagt dan die van de witte haren, zou op Foxhound-bloed wijzen, evenals
de vorm van het hoofd, waarbij de markante vormen van het "dishfaced", de
holle neusrug en de opgewipte neuspunt, waardoor een wat wrange expressie
ontstaat, verdwijnen. Bij de wat kleinere Pointers op het continent, treffen
we het "dishfaced" hoofd nog veel aan.
| |
|
 |
|
| |
|
Bezien we de standaard, dan valt op dat de schedel
middelmatig breed en in verhouding moet zijn met de krachtige voorsnuit.
Duidelijke stop en idem achterhoofdsknobbel.
De ogen liggen halverwege de afstand tussen achterhoofdsknobbel en neus.
Goed besneden onder de ogen, die helder zijn en met een vriendelijke
expressie, niet hard of starend, hazelnootkleurig of bruin in
overeenstemming met de kleur van de vacht. De blik moet beneden de neus
gericht zijn. Neus en oogranden donker, maar lichter van kleur bij
citroengele en witte honden. Wijde vochtige neusgaten. Neusrug enigszins hol
met een wipneus. Vlakke jukbeenderen, zachte en goed ontwikkelde lippen.
De vrij hoogaangezette oren moeten vlak tegen het hoofd worden gedragen,
middelmatig lang en iets puntig zijn. Een lange, ronde, sterke droge hals.
Lange, schuine, goed naar achteren liggende schouders. De wijde borst reikt
tot aan de ellebogen.
De ribben moeten goed gebogen zijn en worden naar de sterk gespierde
lichtgewelfde lendenen geleidelijk korter.
Korte afstand tussen de laatste ribben en het bekken. De darmbeenknobbels
moeten ver uit elkaar liggen en mogen niet boven uitsteken. Het gehele
silhouet van hoofd tot staart dient kracht uit te stralen en een lenige
indruk te wekken.
Rechte stevige voorbenen met sterke, ovale botten en een duidelijke
zichtbare krachtige achterpees.
De pols moet aan de voorzijde in één lijn methet been zijn en naar binnen
zeer weinig uitsteken.
Lange, sterke elastische middenvoorvoeten. De dijen en schenkels lang,
voorzien van zware spieren en laaggeplaatste hakken, knieën goed gebogen.
Ovale voeten met goed gesloten, krachtige tenen en goede eeltkussens.
De staart is matig lang, dik aan de wortel en loopt geleidelijk dunner
wordend naar de punt, het zogenaamde pijpesteeltje.
Hij moet goed en dicht behaard zijn, recht en zonder krul, in een lijn met
de rug gedragen.
Bij het gaan, zwaait de staart voortdurend heen en weer.
De glanzende beharing moet fijn, kort, hard en gelijkmatig verdeeld zijn,
volkomen vlak en recht.
De meest voorkomende kleuren zijn wit met gele vlekken en platen, wit met
oranje, wit met leverkleur en wit met zwart.
Eenkleurigen en driekleurigen zijn toegestaan.
Een normaal scharend gebit.
Vloeiende ruime gangen. Een krachtige stuwende achterhand. Ellenbogen en
hakken mogen noch naar binnen noch naar buiten draaien.
Hoogverheven gang in de voorhand, de zogenaamde hachneygang, is niet
toegestaan.
Reuen moeten 63,5 tot 68,5 cm aan de schoft meten en teven 61 tot 66 cm.
De Pointer moet goed en symmetrisch gebouwd zijn en vief van aard en van
kracht.
Bovendien moet hij snelheid en uithoudingsvermogen tonen.
 |
|
Hertha Pointer
In Denemarken komt een nagenoeg eenkleurige oranje-gele lichtgebouwde
Pointer voor die niet officieel erkend is. Bij een schofthoogte van 65 cm
bedraagt het gewicht 20 tot 25 kg.
Het hoofd is lang met een zeer brede voorsnuit. Witte aftekeningen komen
voor op het voorhoofd, snuit, keel, borst en voeten alsmede aan de
staartpunt. Zeer sterk gebouwd met ruime borst maar toch licht."
(uit Handboek Kynologie)