| |
Duitse staande
hond langhaar
De Duitse Staande Langhaar is een allround jacht gebruiks-hond. De
veelzijdige Langhaar is, in handen van deskundige voorjagers, in staat uit
te blinken op wedstrijden proeven en tentoonstellingen en kan het met succes
opnemen tegen gespecialiseerde concurrenten.
Zijn veelzijdige aanleg en bereidwilligheid,
snelheid en uithoudingsvermogen, intelligentie en leergierigheid, trouw en
aanhankelijkheid zijn de eigenschappen die de Langhaar erg populair maakt
bij jagers en jachthonden liefhebbers in Nederland, zowel voor het werk vóór
als ná het schot. Zij maken de Langhaar tot een dierbare kameraad en vooral
jachtmakker.
De veelzijdigheid en bruikbaarheid als
jachthond, de neus en conditie als wedstrijdhond, de schoonheid en
kwaliteiten als showhond, het uiterlijk en karakter als huishond, maken de
Langhaar tot "een hond om mee op te trekken". Mede door zijn
dichte, beschermende vacht ook na het schot geschikt voor zwaar waterwerk.
Hierdoor nog meer all-round dan de Korthaar.
Naast de kleur bruin komt de Langhaar ook voor in de kleur bruin-bont.
" Met de Grote en Kleine Munsterlander, de Drentsche
Patrijshond, de Epagneul Francais, de Stabyhoun en de uitgestorven Belgische
Staande Hond, behoort de Duitse Staande Hond Langhaar tot de groep der
zogeheten vogelhonden, waarbij ook de Wachtelhund, de gehele groep van de
Franse Epagneuls en de Engelse en Amerikaanse Spaniels behoren.
Ontegenzeggelijk heeft ook de Weimarse Staande Hond een ontwikkeling
doorgemaakt, die enigszins te vergelijken is met die van de Duitse Staande
Honden, maar de Weimarse Staande Hond Langhaar, ontstaan uit Kortharigen
wordt niet tot de echte vogelhonden gerekend, die in bouwen in wijze van
jagen verschillen met de Kortharige en Ruwharige Staande Honden.
Helaas heeft men bij het creëren van vele rassen in het begin weinig of
zelfs helemaal niets geregistreerd, waardoor veel verschil in opvatting over
de afstamming is ontstaan. Ongewenste eigenschappen als zodanig vermeld in
standaards, leiden door hun recessief bepaalde aanleg een taai leven en
kunnen van tijd tot tijd de kop opsteken. Het voert te ver om in dit korte
bestek uitvoerig stil te staan bij de lichte vormveranderingen die in het
exterieur van een ras kunnen ontstaan, wanneer een aanvankelijk ongewenste
eigenschap, in dit geval de ontwikkeling van langharige uit kortharige
honden, weer als raspunt wordt erkend en de honden onderling niet meer
gekruist mogen worden.
Iedere afscheiding die tot verzelfstandiging van een
ras leidt, of deze afscheiding nu omwille van een vachtstructuur of kleur
gaat of zelfs om een meer complexe aanleg van jachteigenschappen, laat op
den duur een afwijkend beeld van het oorspronkelijke ras zien. Bijvoorbeeld
de scheiding van de kleur bij de Ierse Setter in de eenkleurige rode en de
rood-bonte variëteiten, die heden ten dage niet alleen in kleur, maar ook in
bouw- en jachtaanleg volkomen verschillen. Hoewel de standaard voor de
Kortharige Hollandse Herder en de Langharige volkomen hetzelfde zijn, tonen
beide in uiterlijk en in innerlijk grote verschillen.
Langharige honden tonen niet alleen, maar zijn ook langer in bouw dan
Kortharigen en Ruwharigen. Vanaf het moment, we schrijven het jaar 1879, dat
er voor de Duitse Staande Hond Langhaar een halt werd toegeroepen deze nog
langer met de Korthaar te kruisen en een standaard werd opgesteld, begon de
verzelfstandiging van het ras. Bovendien stelde men zware eisen aan de
gebruikskwaliteiten van de honden en deze selectie resulteerde in het
ontstaan van een vijftal Langhaar-stammen, genoemd naar de vaderhonden, de
Mylord-stam, de Don-stam, de Roland-stam, de Job-stam en de
Kalcksteiner-stam.
De laatste stam was niet genoemd naar een vaderhond, maar ontleende zijn
naam aan die van de fokker, Alexander von Kalckstein, die reeds lang honden
van een kleiner en lichter slag fokte dan de meer zware en grote honden uit
de andere stammen.
De bekende auteur van een standaardwerk over de Duitse
Staande Langhaar, K. Brandt, bezat een teef uit de Roland-stam die een
belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het huidige type van het ras.
Ze bracht meer dan 50 pups ter wereld met voortreffelijke
jachteigenschappen.
In tegenstelling tot de honden die middels kruisingen met Setters waren
ontstaan- een fokrichting die rasfanaten niet konden waarderen en afdeden
met anglomanie en waarvan de honden van Prins zu Solms-Braunfeld het
slachtoffer werden waardoor deze niet opgenomen konden worden in het
stamboek -eiste men van de echte Langhaar een meer rustige wijze van werken
dan die van de Anglomanen.
Ook aan de beharing werd grote zorg besteed en wanneer
de bevedering aan oren, achterzijde, voor- en achterbenen en staart niet
voldoende zwaar en dicht was, werden geen stambomen afgegeven. Vooral op de
dunbehaarde oren, de zogeheten leeroren, had men het gemunt.
Het karakter van de Langhaar verschilt heel sterk van dat van de Korthaar en
komt meer overeen met het temperament en de zieleroerselen van de Draadhaar;
eigenzinnig, onbuigzaam, koppig, stug en onstuimig. Dieren, begiftigd met
deze eigenschappen, zijn moeilijk af te richten, maar na een lang en
volhardend proces voldoen ze aan de hoogste eisen van bruikbaarheid mits met
vaste en consequente hand geleid. Ze zijn dan geschikt voor elk onderdeel
van de jacht.
De uitstekende neus van de Langhaar garandeert een vlotte en betrouwbare
zoekwijze, waardoor hij goed voorstaat, op voortreffelijke wijze ziek wild
opspoort, perfect apporteert, ook uit het water en een zweetspoor uitstekend
volgt. Ook het bewaken van huis en erf kan aan hem worden overgelaten.
Het moet een krachtig gespierde hond zijn met scherpe
lichaamscontouren.
De uitdrukking moet intelligent zijn en van adel getuigen. Hij moet een
levendig en opgewekt, geenszins zenuwachtig karakter hebben. Het gestrekte
droge hoofd heeft een lichtgewelfde schedel die evenlang is alsde voorsnuit
die breed moet zijn met een lichte ramsneus en met een schuin oplopende stop
in de schedelovergaat. De onderkaak is krachtig.
Het geslachtstype moet in het hoofd duidelijk waarneembaar zijn zonder te
grof te worden bij de reuen of te fijn bij de teven. De adel moet van het
hoofd afstralen.
De Duitse Staande Hond Langhaar moet een volledig, krachtig gebit hebben met
sterke hoektanden. De oren zijn breed bij de aanzet die hoog is. Ze liggen
vlak tegen de wangen en de punt is afgerond. Het lichtgegolfde haar hangt
iets over de randen van het oor.
De lengte van de oren moet in verhouding tot het hoofd en de gehele
verschijning staan. Goed gesloten, zo donker mogelijke ogen. Bruine neus. De
krachtige, edele hals gaat vloeiend over in de schouders en de borst. De
diepe borst moet tot de ellebogen reiken en de breedte ervan moet in juiste
verhouding tot de hond zijn. Buik iets opgetrokken. De rug dient stevig,
recht en kort te zijn.
De schoft moet iets hoger liggen en de lendenen moeten lichtgewelfd zijn,
wat verwijst naar kracht. Het bekken helt eveneens licht. De lengte van de
rug moet in overeenstemming zijn met de grootte van de hond.
Gestreefd moet worden naar een vierkante bouw. De staart moet in het
verlengde van de rug aangezet zijn en deze wordt horizontaal of licht
omhooggebogen gedragen. Van wortel tot punt, recht met een fraaie vlag aan
de onderzijde, die halverwege de staart het langst is en fraai verloopt naar
de punt. Een iets te lange staart mag een weinig ingekort worden om
stukslaan tijdens het werk te voorkomen.
De schouderbladen moeten lang zijn en schuin liggen. De toppen mogen niet
boven de schoft uitsteken. Van voren gezien liggen schouderblad,
opperarmbeen en benedenarm in een loodrechte lijn. Hoek
schouder-blad-opperarmbeen moet plusminus 90 graden zijn bij een loodrechte
stand van de onderarm. Bij een zeer brede borstkas mogen de ellebogen iets
naar buiten draaien.
Van achteren gezien moeten heupen, boven- en onderschenkel alsmede de
middenvoeten in een rechte lijn liggen. Van terzijde gezien moeten boven- en
onderschenkel een hoek vormen die in harmonie met de hoeking aan de voorhand
dient te zijn.
Hubertusklauwen, indien aanwezig bij de geboorte, moeten weggenomen worden.
De matig lange, ronde voeten moeten goed gesloten zijn met krachtige tenen
en flinke voetzolen.
Een zeer belangrijk punt naast goede bouwen vlotte
krachtige, maar toch soepele beweging, dient de beharing te zijn, getuigend
van een echte Langhaar. Op de rug en de flanken moet het haar 3-5 cm lang
zijn, aan de hals op de voorborst en op de buik iets langer. Goede
bevedering aan de achterzijde van voor- en achterbenen, de middenvoeten
minder bevederd.
Tussen de tenen dichte beharing ter bescherming van de voeten in moeilijk
begaanbare terreinen en bij slechte weersomstandigheden zoals sneeuwen
vorst. Op het hoofd en de voorsnuit is het haar kort en dicht, waardoor een
scherp silhouet ontstaat. Volle behaarde oren en een flinke vlag aan de
staart.
De Duitse Staande Hond Langhaar is geheel bruin, de zogenaamde leverkleur.
Ook komt bruinschimmel voor, wit met bruine platen of bruinschimmel met
bruine platen.
"Totverbellen" of "Totverweisen", is nog in enkele stammen aanwezig. Vooral
bij de Langharen die ingezet worden bij de jacht op rood- en zwartwild,
herten, reeën, moeflons en wilde zwijnen, komen deze eigenschappen goed van
pas."
(uit Handboek Kynologie)
| |
 |
The earliest of the
German pointers.
The German Longhaired Pointer (GLP) is considered to be the earliest of the
German Pointers.Copperplate engravings and oilpaintings from the 16th
century shows longhaired gundogs of wachteltype in diverse types of hunting
situations, both bird- and big game hunting. They were relatively small dogs
with brown fur, broad heads and docked tails. At that time one hade not yet
begun to use the dogs pointing ability. During the 16th and 17th century
this gundog developed into a large, sturdy dog with narrow and slow field
work, hunting with GLP compared to todays hunting with spaniels.
Brittish sauce to the marmelade
Eventually one started to glance at the Brittish pointing dogs and around
1850 one started to import Brittish pointing dogs, among others Gordon- and
Irish setter. Impressed by their litheness and ground covering movements and
to gain these traits one started to breed thees dogs to the GLP. Since no
breeding plan existed this did not only result in a swifter dog but also in
a chaos of types and colours that were named "The old German Marmelade with
English Sauce".
Five progentitors
To structure the breeding one did once again turn to Brittain and decided to
use the Brittish way to pure bred dogs. The first breeders association for
GLP was formed in 1878 in Berghausen, Germany. The following year a big show
took place in Hannover, Germany, and the breed standard for GLP, and also
German Shorthaired Pointer (GSP), were estblished. A dog named Mylord-1 set
the standard. At the start there were five lines of GLP´s, each from a
certain progenitor-Job, Don, Roland, Kalkstein and Mylord - 1. One of these
dogs, Kalkstein, brought the white/brown pattern to the breed. It is also
worth mentioning that Mylord-1 were bred to a English Pointer bitch and so
ancestered several fine GSP.
 |
About large and small münsterlander
At that time many black n´white GLP´s were to be found. They were considered
undesirable. The brown n´white and the black n´white dogs were not to be
mixed and the latter were registred separately in the book of pedigrees.
This system existed as late as 1943. The black n´white dogs were the base
for Large Münsterlander and it were recognised as a separate breed 1919. In
the 1960th and 1970th GLP´s were bred to the Large Münsterlander. As a
matter of curiosity one can mention that the roan colour of the Small
Münsterlander is a result from that GLP´s were bred to Small Münsterlander
in the 1920th.
Deutsche langsam? German slow?
In the early 1900 the GLP had developed to a large and heavy dog called
"Deutsche Langsam/German Slow". Now one started a purposeful and planned
breeding using middlesized dogs with good hunting skills. Also, once again,
Gordon Setter was bred to the GLP. Fast progress were made and with the
combination of the Brittish pointing dogs exellent field qualities and
endurance, together with the inheritance of the German Pointing dogs;
waterpassion, ability to retrieve, sturdy trailing and sharpness towards
predators, one thought to have gained the ideal gundog.
The ironcurtain and the continued breeding of
GLP
The second World War became an obstacle for the breeding of GLP´s since many
dogs were lost from the West behind the Ironcurtain. It was not until the
1960th as some of the to the West lost Eastern European lines were regained
through Czech dogs.
The swedish story
The German Longhaired Pointer were imported to Sweden in 1976 by Richard
König. He imported one dog and three bitches from West Germany. Since then
about 30-40 puppies are registred in Sweden every year. In Germany the GLP
is the numerical fourth largest gundog and about 800 puppies are registred
each year.
Meer informatie bij de
rasvereniging en
ras-specifieke websites
|
|