" Welke geschiedschrijver er ook op nageslagen wordt
en hoe groot de meningsverschillen over het ontstaan van de Duitse Staande
Honden ook zijn, op één punt zijn de vorsers het met elkaar eens, de Staande
Honden zijn ontegenzeggelijk ontwikkeld uit de Brakken. Slechts het verloop
van het proces, dat op diverse plaatsen en tijdstippen plaatsvond, is
oorzaak van het verschil in opvatting over het totstandkomen van de Staande
Honden.
| |
 |
Een tweede opvallend punt waaraan niemand twijfelt, is
de mening dat de oorspronkelijk Duitse Staande Hond niet meer bestaat sinds
het midden van de 19e eeuwen vooral het beruchte revolutiejaar 1848 betekent
voor vele historieschrijvers het einde van de echte Duitse Staande,
voorzover er al sprake was van een betrekkelijk uniform rasbeeld en uniforme
werkwijze van de "enig echten".
De oude Duitse Staanden waren zware honden die op een rustige manier onder
het geweer werkten. Men meende dat de voorvaderen van deze honden afstamden
van de zeer forse Spaanse honden uit Navarra, wier afstammelingen een niet
onaanzienlijke portie dogachtig bloed voerden.
De hoofden waren zwaar evenals de benen en de aard was rustig. Men
prefereerde een bedachtzaam werkende hond, aanvankelijk gespecialiseerd in
de vogeljacht. Fitzinger spreekt dan ook van de Duitse Hoenderhond en duidt
hem aan met de Latijnse benaming "Canis sagax, venaticus subcaudatus", wat
mogelijk een verwijzing zou kunnen betekenen naar de afstamming, namelijk de
Franse Limier en de Franse Hoender- of Vogelhond.
Of reeds in een vroeg stadium de Korthaar gescheiden is van de Langhaar, die
ongetwijfeld bloed voert van de Epagneul -een hond die gespecialiseerd was
in het tirasseren, het vangen van hoenders met netten en het voorliggen
uitermate goed beheerste -blijft een open vraag.
In beperkte mate fokten de meer gesitueerden, de landadel, betrekkelijk
zuivere stammen van goede gebruikshonden, waarbij het uiterlijk of exterieur
een minder belangrijke rol speelde dan de aanleg voor
jachtcapaciteiten en met name het bezit van een goede neus.
| |
|
 |
|
| |
|
Na 1848, toen de landadel veel rechten moest inleveren
waaronder het jachtrecht, zijn het lieden die over het algemeen goed bij kas
zaten en die hun kans schoon zagen om het jachtbedrijf uit te gaan oefenen
en van de nieuwe hobby, vooral wat de honden en hun werk betrof, geen kaas
hadden gegeten.
De weinig zuivere stammen van de Duitse Staande Honden verdwenen als sneeuw
voor de zon en men kruiste met allerlei honden, ook met dieren zonder
jachtpassie, dat het een lieve lust was.
Toen enkele begenadigden inkruisten met de veel snellere Pointers en Setters
die uit Engeland werden geïmporteerd, was het helemaal gedaan met de oude,
stabiele, rustig werkende Duitse Staande Honden.
Een der eerste slachtoffers was de Wurtembergse Staande Hond, een zeer zwaar
ras dat door zijn kleuraftekening veelovereenkomst vertoonde met de Luzerner
Laufhund en derhalve verdacht werd van teveel Brakkenbloed en derhalve
letterlijk het veld moest ruimen. Lange tijd hebben enkele Zwitserse
liefhebbers van deze driekleurige schimmel, de zogenaamde Forellentiger,
getracht het ras op de been te houden, maar hun pogingen hebben helaas niet
geholpen. De fraaie lichtschimmel of Forellentiger is definitief
uitgestorven.
Voor de Duitse Staande Hond keerde het tij enigszins toen men zich bewust
werd van een zekere nationale trots.
De Frans-Duitse oorlog van 1870-1872 en de vereniging
van de Noord- en Zuid-Duitse Statenbond onder Bismarck werkten sterk in op
chauvinistische gevoelens en men trachtte door het oprichten van een
rasvereniging en de opstelling van een standaard, een stabiele jachthond te
creëren waarmee hun verre voorouders hadden gejaagd. Wat patriottisme al
niet kan veroorzaken!!!
Hektor I diende als model voor de standaard. Evenals op de huidige dag prees
de een de hond om zijn krachtige, zware bouwen kraakte een andere expert hem
af vanwege te giote gelijkenis met de edele Pointer. Eén hond en twee
volkomen tegengestelde opvattingen. Gelukkig stelde Prins zu Solms-Braunfeld
zich positief op achter de nieuwe ideeën en deze bij uitstek grote
jachthondenkenner en liefhebber heeft prachtige honden van het
voorgeschreven type gefokt, mede met behulp van zijn bekwame kennelmanager,
de Hollander E.K. Korthals.
Naast het opstellen van raspunten werden proeven in het leven geroepen
waaraan de honden onderworpen moesten worden en aldus trachtte men een
allround jachthond voor het werk onder het geweer te verkrijgen. Geleidelijk
aan werd het pakket van proeven uitgebreid en de eisen werden steeds
zwaarder. Door deze proeven werden de contacten tussen de jagers-fokkers
goed onderhouden en geleidelijk aan werd grote uniformiteit in uit- en
inwendige kwaliteit verkregen.
Het prachtige functionele exterieur van de Korthaar en de onovertroffen
veelzijdige aanleg voor het werk, heeft vele liefhebbers over de hele wereld
opgeleverd.
De rustige aard en de fysieke weerstand tegen alle weersinvloeden vormen een
garantie voor een levenslustige, gehoorzame vriend van de mens.
De belangrijkste raspunten zijn de volgende:
De algehele verschijning toont een adellijke,
harmonische hond. De uiterlijke vormen vertonen uithoudingsvermogen, kracht
en snelheid.
Een vloeiende belijning van boven- en onderlijn, een droog hoofd, de perfect
horizontaal gedragen staart tijdens actie en de strak gespannen, kort
behaarde huid verhogen de adellijke verschijning.
Reuen meten 62 tot 66 cm aan de schoft en teven 58 tot 63 cm.
Het droge markante hoofd dat noch te licht noch te zwaar mag zijn, moet goed
in harmonie met het edele lichaam zijn. De neusrug is vooral bij de reu iets
gebogen. Lippen mooi gerond tot aan de mondhoek zonder over te hangen.
Vlakke sterke wangen. Een krachtige voorsnuit ofvang. Lichte stop en een
brede, iets gewelfde schedel.
De vlakke, middelmatig lange oren, noch te vlezig noch te dun, moeten hoog
en breed aangezet zijn en vallen zonder plooi langs de schedel, aan de
onderzijde iets afgerond en tot aan de mondhoek reikend. De middelgrote,
donkerbruine ogen met goed sluitende oogleden mogen noch uitpuilen, noch te
diep liggen.
De brede neusspiegel met grote open neusgaten moet bruin zijn. Een
vleeskleurige of gevlekte neus is niet toegestaan met uitzondering voor de
honden met witte grondkleur. Het gebit moet krachtig, volledig en normaal
scharend zijn. Een licht bovenvoorbeet van plm 2 mm is toegestaan.
De droge lange, goedgespierde hals moet droog zijn en vloeiend en in de
schouders overgaan. De borst is meer diep dan breed en reikt tot de
ellebogen en loopt ver naar achteren door. Een te korte borst, de zogenaamde
kippenborst, is een ernstige belemmering voor het uithoudingsvermogen van de
hond evenals te ronde ribben.
Goed gevormde voorborst.
De rug moet stram zijn met korte, brede, buigzame en iets gewelfde lendenen.
Het kruis moet breed en lang zijn en niet te sterk hellen en de buik moet
iets opgetrokken zijn. De voorhand eist schuine, goedliggende en
droogbespierde schouders die vlak op de niet overdreven gewelfde ribben
liggen.
Het opperarmbeen is praktisch evenlang als het schouderblad en de ellebogen
liggen bij een juiste hoeking van schouder en opperarm ver naar achteren,
dat wil zeggen bij het diepste punt van het borstbeen. De ellebogen moeten
goed aansluiten en noch naar binnen noch naar buiten draaien. Rechte
goedgespierde onderarm met krachtige niet grove botten.
De polsen iets gehoekt, waardoor de middenvoet iets schuin naar voren staat.
De achterhand moet in goede harmonie met de voorhand zijn, dat wil zeggen de
hoekingen dienen nagenoeg hetzelfde te zijn. Het bekken moet lang en breed
zijn. Dijen breed en goed bespierd. Krachtige, rechte achtermiddenvoeten
zonder wolfsklauwen. Voeten in de vorm van een lepel met goed gewelfde
kootjes en krachtige nagels. Zoolballen stevig en hard.
 |
........ |
 |
|
| |
|
De Duitse Staande Korthaar is een droge hond, dat wil
zeggen de huid moet strak gespannen zijn zonder plooivorming. Beharing kort
en dicht, stevig en hard aanvoelend. Op de oren en het hoofd is het haar
dunner en korter. Aan de onderzijde van de staart mag het haar niet langer
zijn dan elders op hetlichaam. De hoog aangezette staart is krachtig aan de
staartwortel en loopt daarna dunner uit tot aan de punt. Ter voorkoming van
stukslaan tijdens de jacht wordt de staart tot op de helft ingekort.
Staartblessures zijn hardnekkig en genezen zeer moeilijk, vandaar de
inkorting.
In rust hangt de staart iets naar beneden maar tijdens het zoeken naar wild
wordt deze hoger gedragen, echter niet sterk gekromd of over de rug
getrokken. Bij het werk toont de staart veel beweging.
Botten moeten krachtig zijn zonder spoor van grofheid of te fijn van
structuur.
De Duitse Staande Hond Korthaar kan geheel bruin van
kleur zijn, of bruin met kleine gespikkelde of witte aftekeningen op borst
en voeten, of donkerbruin schimmel met bruin hoofd en bruine platen of
vlekken, of lichtbruinschimmel waarbij het wit overheerst ten opzichte van
het bruin of wit met bruin hoofd en bruine platen of vlekken of zwart met
dezelfde patronen als de bruinschimmels.
Gele aftekeningen zijn toegestaan. De zwarte variëteit wordt ook wel
aangeduid als Pruisisch Korthaar. Bij deze honden moet de neus zwart zijn.
Honden met wolfsklauwen, de vijfde teen aan de achterhand, moeten
gediskwalificeerd worden."
(uit Handboek Kynologie)