" Evenals van veel andere rassen is de oorsprong van de
Ierse Setter, in het Gaelic "Modder Rhu" (de rode hond), onbekend.
Sommige onderzoekers zien in dit ras verwantschap met
de voorzaten van de Epagneul Breton, die door migrerende Kelten in Ierland
is terechtgekomen waar, door de geïsoleerde ligging van dit grote eiland,
deze populatie weinig of geen invloed van andere rassen heeft ondervonden.
Ver voor de tijd van de eerste tentoonstellingen, die in het midden van de
negentiende eeuw werden gehouden, hield men in Ierland stammen aan van
zorgvuldig gefokte gebruikshonden, uitermate geschikt voor de uitgestrekte
jachtterreinen, schaars met wild bezet.
Snelle galopperende honden, jagend met hoge neus en hoog op de benen staand
voldeden het meest aan het eisenpakket. Van selectie op kleur was geen
sprake, zowel eenkleurig rode als roodbonte exemplaren kwamen voor.
Geleidelijk aan hebben de eenkleurige honden, vooral vanaf het ontstaan van
het tentoonstellingswezen, de overhand gekregen en verdween de roodbonte
Setter nagenoeg.
Vooral de reu Palmerston, een bijna geheel donkerrode Setter met een kleine
witte stip op zijn schedel, een kleurpatroon dat hij sterk vererfde en dat
in de annalen als Palmerstonstip wordt vermeld, heeft een duidelijke
kwaliteitsstempel op het ras gedrukt.
Liefhebbers met werkende honden zoals jagers,
verwijten de fokkers van tentoonstellingsdieren te grote nadruk te leggen op
exterieur, waardoor jachteigenschappen verloren dreigen te gaan.
Ook bij de fraaie Rode lerse Setter woedt deze strijd al jaren.
In ons land worden weinig leren voor de jacht gebruikt, omdat onze
jachtterreinen te klein zijn en te veel doorsneden met wegen voor deze ruim
veld nemende honden. De laatste jaren neemt de belangstelling voor de bijna
uitgestorven roodbonte variëteit weer toe en er wordt in vakkringen beweerd,
dat de bonte variëteit, die nu als apart ras wordt beschouwd en wat minder
racy gebouwd is dan de rode eenkleurige soortgenoot, over meer
uithoudingsvermogen zou beschikken.
De standaard van de Ierse Setter verlangt een racy
type, harmonisch van bouw, evenwichtig en vol kwaliteit. De Ier moet zeer
fraai en verfijnd van uiterlijk zijn, daarbij bijzonder actief met een nooit
aflatende bereidheid tot speuren en jagen.
Een heel aanhankelijke hond.
Het lange, droge hoofd mag niet smal of spits zijn en niet grofbij de oren.
Lichtgewelfde, ovale schedel van oor tot oor met een goed ontwikkelde
achterhoofdsknobbel. De assen van de achterhoofdsknobbel tot de stop en van
stop tot neuspunt moeten parallel verlopen en zijn evenlang. De
wenkbrauwbogen geprononceerd en een goed zichtbare stop.
Voorsnuit tamelijk diep, aan het uiteinde vrijwel vierkant. Kaken bijna
evenlang, lippen mogen niet overhangen. Wijde neusgaten in een
donkerkleurige mahonie, onkerbruine of zwarte neus.
De amandelvormige ogen met vriendelijke, intelligente expressie, moeten niet
te groot zijn en donkerbruin of donkerhazelnootkleurig. De goed naar
achteren, laagaangezette oren zijn middelmatig groot, fijn van vel en worden
in een sierlijke plooi tegen het hoofd gedragen. Krachtige kaken met een
perfect, regelmatig en compleet schaargebit.
De hals moet middelmatig lang zijn, krachtig gespierd maar niet te dik,
lichtgebogen en droog en gaat vloeiend in de schuine schouders over, die
fijn aan de punt moeten zijn. De voorbenen moeten recht en lenig zijn met
krachtig bot.
De ellebogen mogen noch naar binnen, noch naar buitendraaien.
De diepe borst is aan de voorzijde vrij smal, de ribben moeten goedgewelfd
zijn en de borst moet ver naar achteren doorlopen.
De stevige rechte rug daalt iets van schoft tot kruis, met lichtgewelfde
lendenen.
De achterhand moet breed zijn en kracht uitstralen. Boven- en onderschenkel
moeten lang zijn en de hakken laaggeplaatst.
De achtermiddenvoetsbeenderen zijn kort en krachtig. Goede diepe hoeking van
de achterhand en de hakken mogen noch naar binnen noch naar buiten draaien.
Kleine, zeer stevige voeten met sterke goed gebogen en gesloten tenen. Een
krachtige stuwing van de achterhand en een soepele opvang van de voorhand
garandeert een vloeiende beweging.
De middelmatig lange staart moet in juiste verhouding tot het lichaam zijn,
iets onder de ruglijn aangezet en het liefst in een lijn met de rug
gedragen, of lager. De staart is dik aan de wortel en loopt uit in een fijne
punt.
De vacht op het hoofd, de voorkant van de benen en de toppen van de oren
moet kort en fijn zijn.
Op de overige lichaamsdelen en benen tamelijk lang zonder krul of golf.
De bevedering op het bovenste deel van de oren lang en zijdeachtig, op de
achterkant van voor- en achterbenen lang en fijn.
Aan borst en buik een fraaie franje van lang haar, die tot de keel
doorloopt.
Tussen de tenen goede beharing. De vlag aan de onderzijde van de staart moet
lang zijn en in lengte naar de punt afnemen.
Alle bevedering moet zo recht en vlak mogelijk zijn.
Ierse Setters zijn rijk kastanjebruin zonder een spoor van zwart. Wit op de
borst, keel of tenen, of een kleine ster op het voorhoofd of een smalle
streep of bles op de neus of voorsnuit leiden niet tot een diskwalificatie."
(uit Handboek Kynologie)
| |
|
 |
|
| |
|
" Deze kleurvariëteit is door de geheelgekleurde of
eenkleurige Rode Ierse Setter vooral op de tentoonstellingen verdrongen.
Enthousiaste jagers in Ierland, die generatieslang met de bonte leren joegen,
prezen hem om zijn uithoudingsvermogen en toen bij de Rode Setter
zich problemen vooral met de ogen manifesteerden, die in de bonte
kleurslag niet voorkwamen, ging de aandacht weer naar de rood-witte variëteit.
Zowel in Engeland als in ons land zien we de Ierse
Rood-Witte Setter weer op de benches, zij het in geringe aantallen. Hij
onderscheidt zich van zijn rivaal door een mindere racybouw, eerder wat
atletischeren robuuster.
Perfecte jachteigenschappen, gehoorzaam en
intelligent. Het is een opgewekte en aanhankelijke hond.
Het hoofd is breed in verhouding tot het lichaam en
heeft een goede stop. De schedel is gewelfd en de achterhoofdsknobbel is in
tegenstelling tot die van de Rode Ier niet zichtbaar; de voorsnuit of
vang vierkant, dat wil zeggen diepte gelijk aan hoogte.
De donkerbruine of hazelnootkleurige ogen moeten rond
zijn, mogen iets bol zijn en zonder zichtbaar knipvlies, het derde
ooglid dat zich aan de onderbinnenzijde van het oog bevindt. De oren moeten
op ooghoogte ingeplant en ver naar achteren aangezet zijn en langs het hoofd
gedragen worden.
Een perfect regelmatig schaargebit met sterke tanden
en kiezen, recht geplaatst in krachtige kaken. De middelmatig lange
hals, die sterk gespierd maar niet zwaar moet zijn, is droog, dus zonder losse keelhuid en licht gebogen.
De voorhand wordt gevormd door goed naar achteren
geplaatste schuinliggende schouders en sterke, goedgespierde rechte benen. De ellebogen mogen noch
naar binnen noch naar buiten draaien.
Het bot van de voorbenen is ovaal van vorm, moet
vooral krachtig zijn, met andere woorden glashard beenwerk met sterke pezen. De voorhand is
zodanig gehoekt dat de krachtige stuwing door de achterhand moeiteloos
kan worden opgevangen en de hond in staat stelt grote, lange en vrije stappen te nemen.
De achterhand moet breed en krachtig zijn met een
lange boven- en onderschenkel en sterke, korte sprongen, die laaggeplaatst moeten zijn met
rechte middenvoeten.
De sprongen moeten optimaal functioneren dus noch naar
binnen, noch naar buiten draaien.
De tenen moeten goed gesloten zijn met beharing tussen
de tenen.
De staart is sterk bij de aanzet en loopt geleidelijk
dunner uit naar de punt zonder enige buiging. Ten hoogste tot de sprongen
reikend. Goede beharing, aan de onderzijde een vlag van lang haar
vormend. De staart wordt in de lijn van de rug gedragen of iets lager en
zwaait voortdurend heen en weer.
De beharing van de Ierse Rood-Witte Setter is van een
fijne structuur met een goede bevedering, dat wil zeggen lange haren
aan oren, achterzijde voor- en achterbenen en staart.
Het haar moet recht maar mag lichtgegolfd zijn; echter
nooit gekruld.
De basiskleur is wit met grote rode plekken.
Gespikkeld of gevlekt maar niet doorlopend bontgekleurd; rondom snuit én voeten
en op de voorbenen tot de ellebogen; op de achterbenen tot de spronggewrichten bontpatroon
toegestaan.
Reuen moeten twee normaalontwikkelde testikels
bezitten, die volledig in het scrotum ingedaald moeten zijn."
(uit Handboek Kynologie)