| |
Griffon Korthals
De raskenmerken van de Griffon Korthals zijn in oktober 1887 te Mainz
door 16 erkende fokkers protocollair vastgelegd en zijn sindsdien niet
gewijzigd. Dit ras is derhalve één van de oudste - misschien wel het oudste-
jachthondenras op het continent.
| |
 |
De
Griffon Korthals dankt zijn naam en zijn bestaan aan Eduard Karel Korthals
(1851-1896),
zoon van een rijke Amsterdamse reder. Hij was een man die alleen voor
honden, kynologie en de jacht leefde. Zijn hele leven was daaraan gewijd.
Reeds op twintigjarige leeftijd gaf hij blijk van zijn vaste voornemen om
jachthonden te gaan fokken. Zijn “Eerste Kennelboek”, dat nog steeds in het
bezit van de club is, dateert al van januari 1872. In 1874 begon hij met de
opbouw van een constant verervend ruwharig jachthondenras. In dat jaar koopt
hij van zijn vriend Amand een zevenjarige teef, genaamd Mouche en de
driejarige reu Hector. Uit deze combinatie worden in september van hetzelfde
jaar de eerste Griffon Korthals geboren.
Door zorgvuldige fokkeuze en voortdurende selectie wilde hij bepaalde
raskenmerken vastleggen.
Het doel dat hem voor ogen stond was een onverschrokken, harde en snelle hond met een scherpe neus, spoorvast, die graag
te water gaat.
Tussen 1874 en 1886 is hem dit gelukt,
dankzij enorme praktische kennis, een rijke ervaring met jacht- honden, goed
inzicht in de erfelijk- heidsmogelijkheden, een groot door- zettingsvermogen
en de beschikking over voldoende financiële middelen.
Hij noemde deze hond: Griffon. Dit was de naam die reeds eeuwenlang in
West-Europa werd gebruikt voor ruwharige honden van verschillend slag. 29
Juli 1888 richtte hij met een groot aantal ander Griffonliefhebbers een
Europese rashondenvereniging op die de “Griffonclub” werd genoemd. De club
begon met twee nieuwigheden: zij organiseerde veldwedstrijden in het voor-
en najaar en zij gaf een Griffon-Stamboek uit waarin alle raszuivere
Korthals Griffons werden opgenomen. Deze club heeft de twee wereldoorlogen
helaas niet overleefd.
Momenteel zijn er gelukkig weer Griffonclubs in Nederland, Duitsland,
België, Frankrijk, Italië, Denemarken en Noord-Amerika
(VS en Canada).
| |
|
 |
|
| |
 |
" De ontwikkeling van dit ruigharige ras in de tweede helft van de
negentiende eeuw loopt parallel met de verzelfstandiging van een aantal
Duitse staande jachthondenrassen. Het verlangen en de behoefte om
belangrijke eigenschappen, waaraan jachthonden moesten voldoen, goed vast te
leggen, met de garantie van een constante vererving, mogen beschouwd worden
als oorzaken van dit verschijnsel.
Hoe langer hoe meer drong het besef door, dat uitsluitend een gericht
fokbeleid, met verwante ouderdieren, de enige weg was, die tot dit doel
leidde. Bovendien had men kennis genomen van het werk van Laverick en
Arkwright, die met succes door lijnteelt en inteelt de jachteigenschappen
van respectievelijk Setters en Pointers hadden weten vast te leggen en aldus
constant verervende stammen hadden verkregen.
De Nederlander Eduard Korthals heeft een belangrijke
rol in dit gebeuren gespeeld, door niet alleen goede honden te fokken, maar
ook door een organisatie in het leven te roepen, waardoor het mogelijk werd
middels gezamenlijke inspanning van fokkers en jagers rassen te creëren en
te behouden voor de toekomst.
Middels samenwerking met geestverwante vrienden fokte hij eerst in Nederland
en later in Duitsland goede werkhonden, maar vooral tijdens zijn verblijf in
Duitsland als kennelmanager van Prins Albrecht zu Solms-Braunfels komt het
natuurtalent Korthals goed aan zijn trekken.
Hij selecteert een aantal Griffons, die beschouwd mogen worden als de
stamdieren van het ras en door Korthals de acht patriarchen genoemd, te
weten: Mouche, Junon, Janus, Hector, Satan, Banco, Donna en Vesta.
De teef Mouche en de reu Banco, beiden blauwgrijs met bruine platen, een
harde bovenvacht, en een dichte wollige ondervacht waren Korthals'
favorieten. Hoewel Banco stijf aan de maat was, hij mat aan de schoft 68 cm,
was het een voortreffelijk gebouwde hond met prima jachteigenschappen.
| |
|
| |
 |
| |
|
Met de oprichting van de Griffonclub, die in zijn
stamboek alleen raszuiver gefokte Griffons opnam, werd de basis gelegd voor
een ras, dat aan het einde van de vorige eeuwen in de beginjaren van de 20e
eeuw grote opgang zou maken.
Opgemerkt dient, dat deze rasvereniging in feite een internationale club was
met een zevental afdelingen, waaronder één Nederlandse. Tot de
leidinggevende personen behoorden Korthals, de Zwitserse Baron de Gingins en
de Nederlander Leliman, fenomenale kenners, fokkers en keurmeesters met een
grote internationale reputatie.
De honden gefokt in de kennels Ipenwoud van Korthals, Unterau van Baron de
Gingins en Ruigbaard van Leliman vertoonden grote eenheid in type en
jachteigenschappen en wonnen vele prijzen zowel op veldwedstrijden als op
tentoonstellingen.
Geleidelijk aan nam het aantal Griffoniers toe, waarmee duidelijk werd
aangetoond, dat de kwaliteit van de volbloed Griffon, -hieronder verstond
men die honden, die zowel van vaderzijde als van moederzijde afstamden van
de patriarchen -, gewaardeerd werd.
Na de Korthals-periode zijn het de heren Obreen, Van
Beuningen, Cornelis Bosman en Den Hartog die zijn werk voortzetten. In
latere jaren, vooral tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was de heer J. de
Ruiter de grote promotor van het ras, die zijn leven lang de Griffon
Korthals is trouw gebleven en goede honden heeft gefokt in zijn kennel vom
Wiesenheim.
Een populair ras is de Griffon nooit geweest en zal het ook nimmer worden,
omdat als enige maatstaf de gebruikswaarde voor het jachtbedrijf gold.
Generaties lang is geselecteerd op aanleg voor de jacht onder het geweer,
ook onder de meest bizarre omstandigheden.
Schrijver dezes herinnert zich uit zijn jeugd nog maar al te goed de vele
Griffons, eigendom van boerenjagers, die altijd in de buitenlucht verbleven,
nimmer in huis kwamen en de nacht moesten doorbrengen in een houten hok of
een ton met stro.
De dikke wollige ondervacht was een perfecte bescherming tegen de kou en de
harde bovenvacht weerde niet alleen het hemelwater af, maar stond bij
strenge kou ook meer uit om meer lucht vast te houden voor een betere
isolatie. Wie zich echter voldoende realiseert, dat een gebruikshond met
veel jachtpassie een enorme bewegingsbehoefte heeft en zijn neus letterlijk
overal in wil steken, die geen vermoeidheid kent en niet onmiddellijk van
pijn ineenkrimpt bij een opgelopen verwonding, kan in de Griffon een vriend
voor het leven krijgen, als voldaan kan worden aan dit behoeftepatroon.
| |
 |
| |
De belangrijkste raspunten zijn de volgende:
De
Griffon moet een goed gebouwde, krachtige maar toch adelijke hond zijn, met
een ruige harde beharing op het gehele lichaam, het hoofd en de benen.
Het hoofd moet groot en lang zijn, de voorsnuit voorzien van een ruige snor
en boven de ogen zware wenkbrauwen. Neusrug iets gebogen.
De middelgrote, vlak aanliggende oren lopen van onderen spits toe en mogen
niet te laag aangezet zijn. Op de oren een mengeling van kort en lang haar.
De bruine ogen moeten groot zijn, de beharing van de wenkbrauwen mag er niet
overvallen en de uitdrukking moet schrander zijn.
De hals is tamelijk lang
en zonder keelhuid. De diepe borst is licht gewelfd en moet kracht en
uithoudingsvermogen tonen. De tamelijk lange schouders moeten goed schuin
liggen. De voorbenen moeten recht en krachtig zijn en goed onder het lichaam
geplaatst.
De rug moet krachtig zijn, de lendenen goed ontwikkeld en vlak en bij het
gaan moet de rug vast zijn. De achterhand moet lange, goed ontwikkelde
dijbenen bezitten en goed gebogen spronggewrichten.
De voeten behoren krachtig en rond te zijn met goed gesloten tenen.
De staart wordt horizontaal of licht opwaarts gedragen en een derde tot niet
geheel de helft ervan wordt gecoupeerd. De staart moet ruig behaard zijn
zonder pluim. De kleur moet het liefst blauwgrijs, grijs met bruine platen
of geheel effen bruin zijn, vaak met grijze haren doorschoten. Wit met bruin
is ook toegestaan. De ruige beharing voelt aan als fijn draad of
varkenshaar, en mag nooit van wollige structuurof gekruld zijn. De
ondervacht moet dicht en zacht zijn.
Reuen meten van de schoft van 55 cm -60 cm en teven van 50 cm - 55 cm.
Reuen moeten twee volledig in het scrotum afgedaalde testikels bezitten."
(uit Handboek Kynologie)
Meer
informatie bij de
rasvereniging
en
ras-specifieke websites
|
|