Van
wildbeheersing was in tegenstelling tot het verleden geen sprake; de
adel bejoeg uitsluitend dat wild, dat door de jagermeester met
alomvattende kennis van zaken en met grote nauwkeurigheid werd
uitgezocht, alvorens het sein voor de jacht werd gegeven.
De afkomst van de Epagneuls, de vogelhonden, meestal ingezet voor de
jacht op veerwild, is onduidelijk. Sommige onderzoekers menen dat hij
afkomstig is uit Spanje, vandaar de naam Espagnol of Epagneul volgens
Gaston Phoebes in zijn Livre de Chasse uit 1387.
Anderen daarentegen zoeken de oorsprong in Centraal Europa en vermoeden
dezelfde afkomst als de Duitse Staande Langhaar, met name de Kalksteiner
stam en de Duitse Wachtelhund.
Onbetwist is er grote verwantschap tussen alle langharige vogelhonden op
het westelijk deel van Europa, niet alleen in exterieur, maar vooral in
de wijze van jagen.
Door lokale afzondering zijn afwijkingen in het type ontstaan, meestal
in maat, kleur en vorm van het hoofd en deze typen zijn later bestempeld
als rassen.
De verschillen tussen deze rassen zijn vaak zo gering dat alleen de
stamboom aantoont tot welk ras het betrokken dier behoort. Na het
teloorgaan van een ras, hetzij dat het verdrongen wordt door een ander
type, dat beter werkt of fraaier van uiterlijk is, of door inkruising
met dieren van een andere populatie, om betere werkcapaciteiten te
verkrijgen, keert steeds weer de hang naar herstel van het oude type
terug.
Zo ook met de Epagneul Francais, die tegen het einde van de 19de eeuw
praktisch verdwenen was op enkele zuiver gefokte stammen na
respectievelijk in de omgeving van Neubourg en die van de familie Lamy
in Bellevue.
Abbé Fournier uit Saint Hilaire kan beschouwd worden als de redder van
het ras.
Hij zocht her en der in Frankrijk naar relicten van het ras en met deze
dieren bouwde hij een stam op, die de basis vormde van de herboren
Epagneul Français zoals we die nu kennen.
Andere fokkers lieten zich niet onbetuigd en zetten het werk van de
jagende pastoor voort, zij het dat men het lichtere slag prefereerde
boven de zware honden en aan de kleur veel aandacht schonken. Men
beperkte deze tot wit met bruine vlekken, waarbij de dieren met de
vermaledijde tankleurige vlekjes boven de ogen, het quatroeille, van de
fok werden uitgesloten, omdat men dit kenmerk beschouwde als gevolg van
een kruising met Lopende Honden.
Vooral de fokker De Coninck komt de eer toe de eerste standaard te
hebben opgesteld omstreeks 1890, waardoor een meer eenvormig type in
exterieur werd verkregen.
Oorlogen en tijden van crisis zijn ongunstig voor de kynologie en
dit heeft de Epagneul Français aan den lijve ondervonden. Steeds na een
korte opbloei leek het ras van het toneel te verdwijnen, meestal
door maatschappelijke oorzaken. Gelukkig is na de Tweede Wereldoorlog
een reveil voor de oorspronkelijke rassen ingezet en evenals in het
verleden is men op dezelfde wijze aan het werk gegaan om dit jachtras
nieuw leven in te blazen.
 |
Ook in ons land is een actieve rasvereniging van de Epagneul Francais,
die de belangen van het ras op krachtdadige wijze behartigt. De
belangrijkste verschijning is die van een goede en fraai belijnde bouw,
goed gespierd en actief in zijn bewegingen met groot uithoudingsvermogen
en veel jachtpassie.
Het beendergestel moet krachtig maar niet grof zijn.
Hij heeft een rustige zachte aard en is moedig en sociaal.
Reuen meten van 55-61 cm en teven van 54-59 cm. Werkende honden mogen 2
cm hoger zijn.
De lichaamslengte bedraagt 2-3 cm meer dan de schofthoogte.
Het hoofd is tamelijk lang en krachtig maar niet grof, met licht
gewelfde schedel, lichte stop en tamelijk lange, vrij brede voorsnuit.
Lichte aanduiding van de achterhoofdsknobbel. De lippen zijn matig dik en
licht gebogen.
De lange oren omlijsten het hoofd en zijn laag aangezet, goed bedekt met
golvende zijdeachtige beharing. Oorpunten dienen rond te zijn.
De middelmatig grote, goed gesloten, donkere amberkleurige ogen stralen
een vriendelijke en schrandere expressie uit. De neusspiegel moet bruin
zijn. De ronde, niet zware hals moet in verhouding zijn tot de lengte
van hoofd en lichaam. De lange, goed schuin liggende schouders moeten
goed bespierd zijn met duidelijke hoeking van schouderblad en opperarm.
De lange, diepe, tamelijk brede borst met mooi gebogen ribben moet tot
aan de ellebogen reiken. De voeten moeten ovaal van vorm, krachtig en
compact zijn met harde voetzolen, en krachtig gewelfde tenen met haar
tussen de tenen.
De achterhand met licht gebogen sprongen bezit krachtige gespierde brede
dijen en rechte middenvoeten
zonder Hubertusklauwen. Rug middelmatig lang en de lendenen moeten matig
gebogen zijn, kort, met zware spieren. Iets schuin liggend kruis. Staart
tamelijk laag aangezet, horizontaal schuin gedragen in een lichte
S-bocht, bedekt met lang zijdeachtig haar.
De staartbeharing begint aan de wortel met een lengte van 2,5 cm, wordt
tot aan het midden langer en wordt geleidelijk korter naar de punt. De
beharing moet lang en soepel zijn, vlak of licht golvend en dik. Op het
hoofd is het haar kort. Krulhaar is toegestaan uitsluitend op de oren,
aan de hals, op de voeten en aan de staartwortel. De kleur is overwegend
wit met bruine platen, met of zonder stippen. Te veel stippen, waardoor
een soort schimmelpatroon ontstaat is niet gewenst. Het schimmelpatroon
zoals dat voorkomt bij de Engelse Setter en de Epagneul Picard is niet
toegestaan. Tanvlekjes boven de ogen en op de wangen zijn
diskwalificerende fouten.
Reuen moeten duidelijk ontwikkelde, normaal gevormde testikels bezitten,
die volledig in het scrotum ingedaald behoren te zijn."
(uit Handboek Kynologie) |